Nieuws

Mondelinge vraag van Els Ampe over de compensatie voor de productie van groene elektriciteit




Mondelinge vraag van mevrouw Els Ampe aan mevrouw Céline Fremault, minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Huisvesting, Levenskwaliteit, Leefmilieu en Energie, betreffende de compensatie voor de productie van groene elektriciteit.

Mevrouw Els Ampe.- In 2011 werd op grond van een regeringsbesluit een compensatie ingevoerd om de productie van groene elektriciteit in Brussel te stimuleren. Deze compensatieregeling, beter bekend als de terugdraaiende meter, heeft als doel ervoor te zorgen dat kleine producenten, vooral particulieren die zonnepanelen hebben laten installeren, geen licentie als producent moeten hebben en zo minder administratieve procedures moeten doorlopen. Zulke compensatieregelingen bestaan ook in de andere gewesten. In Vlaanderen wordt het systeem beschreven in het Technisch Reglement Distributie Elektriciteit (art. V.2.4.2, §1). In Wallonië staat de regeling in het Technisch Reglement voor het beheer van de elektriciteits- distributienetten en de toegang daartoe (art. 153, §4). In beide gewesten werd beslist om de compensatie toe te kennen voor installaties met een maximaal vermogen van 10 kilovoltampère (kVA). 

In Brussel wordt er enkel in compensaties voorzien voor installaties met een maximaal vermogen kleiner dan of gelijk aan 5kW. Daardoor kennen soms installateurs en klanten het verschil niet met de Brusselse normen. Sommige burgers hebben zonnepanelen laten installeren met een vermogen tussen 5 en 10kW en hebben bijgevolg geen recht op een Brusselse compensatie. Ze worden dan in principe verplicht om twee verschillende meters te laten installeren, namelijk één voor het verbruik uit het distributienet en één voor de levering eraan. Het verbruik moeten ze dan tegen het gewone tarief betalen. De leverancier is in principe verplicht om de geïnjecteerde stroom te kopen, maar 'tegen de marktprijs en binnen de grenzen van zijn behoeften'. Met andere woorden, in België is er geen sprake van een vrije markt om zelfgeproduceerde elektriciteit te verkopen. U weet dat het distributienet in handen is van één speler, waardoor de markt ernstig wordt verstoord. 

In de praktijk worden de elektriciteitsoverschotten niet altijd verkocht, omdat de hoeveelheid geproduceerde energie te klein is. Daardoor krijgen klanten een factuur met een hoge prijs voor de elektriciteit die ze uit het distributienet halen, maar zonder vergoeding voor wat ze leveren. In andere landen mag je zo veel elektriciteit aan het distributienet leveren als je wilt, waardoor er een vrije markt ontstaat. 

In ons land is dat helaas nog niet mogelijk, waardoor de private productie van groene elektriciteit niet zo snel evolueert als in andere landen. Bovendien zijn ook de groencertificaten aan bepaalde voorwaarden onderworpen, soms zelfs met andere drempels. Dit maakt het systeem bijzonder ingewikkeld. 

Bent u ervan op de hoogte dat er een verschil is tussen Vlaanderen, Wallonië en Brussel en dat maar weinig mensen dat weten? 

Waarom werd ervoor gekozen om dat verschil te behouden en slechts in een maximumvermogen van 5 kVA te voorzien voor niet-officiële producenten? 

Hebt u al stappen ondernomen om een aanpassing door te voeren, zodat Brussel hetzelfde systeem toepast als Vlaanderen en Wallonië?

Mevrouw Céline Fremault, minister.- Artikel 26bis van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 6 mei 2004 betreffende de promotie van groene elektriciteit en van kwaliteitsvolle warmte-krachtkoppeling bepaalt dat elke eindgebruiker bij wie een productie-installatie van groene elektriciteit met een vermogen lager of gelijk aan 5kWh geïnstalleerd is, in aanmerking komt voor een compensatie voor het verschil tussen de hoeveelheid elektriciteit die wordt afgenomen van het verdeelnetwerk en de hoeveelheid die voor het verdeelnetwerk wordt geproduceerd. 

De hoeveelheid elektriciteit die een kleine installatie aan het net levert, wordt in de eindafrekening in mindering gebracht op de afgenomen elektriciteit. Elke door zonnepanelen geproduceerde kilowattuur (kWh) levert dus een rechtstreekse besparing van ongeveer 0,2 euro op, wat neerkomt op ongeveer 120 euro per jaar. 

Op 1 januari 2014 waren er 3.013 fotovoltaïsche installaties in gebruik in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, waaronder 2.551 bij particulieren. De grote meerderheid van de privé- installaties -2.353 op 2.551- hebben een vermogen van minder dan 5 kWh. Van de overige 198 zijn er slechts 9 met een vermogen van meer dan 10 kWh. 

Er zijn 140 installaties met een vermogen van 5 tot 6 kWh. De Brusselse wetgeving bepaalt echter dat het maximale vermogen van een installatie hetzelfde is als die van de omzetter in de installatie. Daarmee wordt het onderdeel bedoeld dat de stroom van de zonnepanelen omzet in wisselstroom. Bijgevolg komen bijna al die installaties in aanmerking voor de compensatie, ongeacht hun nominale vermogen. 

Het aantal particuliere fotovoltaïsche installaties met een vermogen van 5 tot 10 kWh waarvoor geen compensatie betaald wordt, bedraagt 49 en vertegenwoordigt 2% van het geheel. 

De overgrote meerderheid van de installaties van particulieren beantwoordt dan ook aan de voorwaarden die vastgelegd werden voor de toepassing van het compensatiemechanisme. De markt heeft zich hieraan aangepast. 

Het Brussels Gewest heeft uitgebreid gecommuniceerd om iedereen die overweegt om zonnepanelen te plaatsen, grondig te informeren over de compensatieregeling. Informatie over installaties voor de productie van hernieuwbare energie komt onder meer van de Association pour la promotion des énergies renouvelables, de energiehuizen, Brugel of de website van Leefmilieu Brussel. 

Het Brussels Gewest heeft beslist dat enkel installaties met een vermogen tot 5kWh in aanmerking komen voor de compensatieregeling. Deze beslissing werd genomen op basis van het gemiddelde jaarlijkse elektriciteitsverbruik van de Brusselse gezinnen, namelijk 2.000 kWh. Een installatie met een vermogen van 5 kWh produceert 4.250 kWh per jaar. 

Als de compensatieregeling ook zou gelden voor installaties met een vermogen tot 10 kWh, zoals in andere gewesten, zou dat geleid hebben tot overdreven grote installaties, zonder dat het privéverbruik van de gezinnen erdoor zou zijn afgenomen. 

Het verschil met de andere gewesten hangt ook samen met de aard van de gebouwen in Brussel. De huizen zijn hier niet geschikt voor installaties van meer dan 5 kWh, waarvoor een oppervlakte van 30 tot 40 m2 nodig is. Daarom hebben we voor een maximaal vermogen van 5 kWh gekozen.

Mevrouw Els Ampe.- Ik dank u voor de precieze cijfers en voor uw uiteenzetting over hoe u tot de beslissing gekomen bent. Zoals u echter zelf zegt, gaat het slechts over 2% van de installaties of 49gezinnen, die over meer dan 30 tot 40m2 moeten beschikken. 

Ik draai de redenering om: het gaat over weinig gezinnen, zodat het hele systeem niet door hen kan worden verstoord. Ik begrijp wel dat u zich op gemiddelden baseert, maar u mag niet op grond van een bepaald gemiddelde besluiten dat er meer uitschieters zullen zijn. 

Het gemiddelde gezinsverbruik bedraagt misschien 2.000 kWh, maar er worden veel grotere volumes gebruikt door ondernemingen en alles welbeschouwd hoeft het niet problematisch te zijn dat er vijftig gezinnen tussen 5 en 10 kW produceren. 

Als je de redenering omdraait, is er niets op tegen om het systeem te veranderen, hoewel ik begrijp waarom er voor maximaal 5 kW werd geopteerd. Ik stel voor dat u er even over nadenkt, misschien komen we er in de toekomst nog op terug.